Jaar: 2009

wat wel en wat wee

20091216-1261005230N1412dolceco109

OVERPEINZING

blijft staan. Om aan te geven waar mijn gedachten uit kunnen hangen. Ergens, in Koedijk bijvoorbeeld.
Een weg onderweg met een begin. Een duister eind voert naar het licht van een kruispunt. Ik maak een
keuze, een keuze die, op voorhand, al gemaakt is.
Even linksaf en dan, na een stoplicht naar links gaan wijken, een volgend zwart geasfalteerd gat in rijden.
Regen. Grote droppels die het wegdek laten glimmen. Kans op vorst. Een verdwaalde lantaarn, druipende
takken. Water. Een kanaal. Een boot en even verder een verscholen boerderij met een lichtkrans.
Ruitenwissers die van stand veranderen. De behaaglijkheid van die heilige koe.
Zwart van uiterlijk, licht van innerlijk.
Maar onopvallend in dit donker dat zoveel verborgen houdt.
Vloeiend licht, razend donker. En de regen die meegaat op dit traject. Schagen wordt wel aangegeven,
maar laat verder naar zich raden. Een weg, een afslag en nog meer licht. Draperie”n die rond kassen
heenslingeren, de Kerstman,een verdwaald rendier, Rudolf”

Bronnen vol licht. Bronnen van licht. Boordevol licht. Waar mogelijk groene stroom een rol in speelt.
Oxxio” Ook dat laat zich raden. Voor het gemak er maar van uitgaand…
Terug- of bijbetalen”

20091216-1261005529N2112schoo337

Het gemak waarmee wij ons op weg begaven. Toen was het licht.
Nu spiegelt het duister. Bespiegelingen. Kijk eens wat vaker in de spiegel van… en kijk dan eens goed!
Vertel niet wat je ziet!
Ik kijk wel maar twijfel of ik de dingen zie zoals ik ze zie. Zie ik wel goed als ik kijk. Is het,
net als vroeger, niet wat meer horen dan luisteren. Moet ik misschien wat minder gaan horen en wat
meer gaan luisteren!” Een stem.
Welke stem” Geweten heb ik altijd wel geweten. De enige stem” Een hokvol stemmen.
Een regel. Een zin, een regel vol zinnen.
Een gebod. Een verbod. Een maatregel. Toch ook weer een regel.
Zoals dit blad zich weer vult met regels. Zinnen desnoods.
Want des nood s is ook weer zo’n mooi woord. Tenminste in dit duister.
Waar ik eigenlijk niets te zoeken heb. Omdat de weg zich bijna als vanzelf wijst. Juist in dit donker.
Dat gat. Wat overdekt wordt door het koepelgewelf wat als hemel door mijn leven gaat. En daardoor
een vorm van veiligheid weet te bestendigen. In de mensen een welbehagen.

Ook weer zo’n regel die ergens vandaan komt.
Alsof ik kick op regels. Waar ik me ooit aan diende te houden.
Als noodzaak. Des nood zaak. Maar dan klopt er weer iets niet of ik klop niet.
‘Knockin’ On Heaven’s Door’, 6:27 (Bob Dylan)
‘De klop op de deur.’ Ina Boudier-Bakker. Ook weer zoiets.
Wat zich niet laat plaatsen. En toch ook weer wel.
Proza”sch. Po”tisch. Raspoetin. Poetin. Chaos. In Cambodja”!

Geen wonder dat er een vervolg ontspringt. Vandaar ook:
VERVOLGENS

Het is alsof de bron
ver weg in mij
ontdekt in het moment
waarop mijn vaders
ogen sloten;

na een miezerig
begin
met iedere slag
aan de zwengel
steeds krachtiger

oer
met water
mengend,
helderheid
wijkt

de kleurenpracht
toeneemt,
het moment

bestendigt.

Schreef ik ooit in toen en nu”
Stel ik ze beschikbaar.

20091216-1261005657N2112schag313

Voor hen die daar een waarde aan kunnen ontlenen. Ik! JU”
Ook voor hen wil ik wel heten! Met dank aan Neeltje M. Min.

Zoals zij ooit schreef. Geheel alleen op een zolderkamer. En nu tijdloos verder gaat. Als ooit Vasalis.
Mevrouw Drooglever Fortuin. En andere coryfee”n. Zoals coryfee”n tijdloos zijn.
Gelijk een kerstgedachte tijdloos is. Want niet de gedachte wordt ondermijnd: het gemeengoed van
de mens wat zich weet te herhalen. In dat welbehagen. Die ongekende vrede.
Het oog hebben voor die zwakkere. De kar halfvol geladen. Maar twee keer een halfvol geladen kar,
kan een hele niet verhelen…