een deel van D & B's geheel

20091212-1260582346N2602mca727

’t Was gratis. Maar dat zegt niets. Wat alles wat gratis is wordt op een ander moment wel weer ergens
omgeslagen. Maar ook dat is niet van belang. Van belang was meer het vermaak. En vermaak was er.
Praten, lachen, kijken, dansen, muziek, eten, drinken, praten. Zien om te kijken en kijken om te zien.
Om gezien te worden. In een driedelig pak. Een krijtstreepje. Van C & A. Maar zonder strop.
Want dan moet je ook nog knopen. Misschien niet meer weet hoe te knopen. Windsor”
Een driedubbele knoop” Een enkele misschien” Makkelijker is het om de knoop te laten schieten.
Kan er ook niemand aan je stropdas komen hangen. De vraag zo obligaat: hoe gaat het met je”
En ik zeg hoe het mij gaat. Zie verbaasde gezichten. Niet dat ik mij er op voor laat staan.
Maar de vraag gesteld doet mij mijn antwoord geven.
En da’s dan dat. Bekenden. Redelijk veel bekenden. Maar ook genoeg onbekenden.
En bekenden die doen alsof ze me niet kenden. Opeens de ogen gericht op de drank. En niet omdat de kans
op morsen zo groot zou kunnen zijn. Het net doen alsof. Waar sommigen al hun leven lang een abonnement
op hebben genomen. En ik het niet kan nalaten om toch even die naam te gaan noemen.
Aadje, die zich ten tijde van zijn diplomering Edward liet noemen. Om zijn vader te plezieren.
Schoot mij te binnen. Of die ontmoeting in een gang. Tegenover de herentoiletten. Het praten over en het
kortstondig uitwisselen van ervaringen. Omtrent de tijd. De hoedanigheid. En niet in de laatste plaats de
leeftijd. Ouder geworden. Ouders geworden. Of juist niet. Hetzelfde gebleven alleen wat meer gestegen
in gewicht. Tanden die veranderd zijn. En personen die geen spat veranderen. Hooguit wat grijzer.
Wat gevulder. Wat meer gelardeerd. Nog steeds zo serieus. Nog steeds Bijzonder betrokken.
Nog steeds met sporen van twijfel. Wat minder ambitieus. Nog steeds zo uitgesproken.
Vandaar ook de eerste bijdrage vandaag:
GOEDBETER

Je hoort mij niet
zeggen
dat het beter
gaat;

dat
zegt de dokter
wel
tegen beter
weten
in

ben ik niet
goed

bestand.

Schrijf je nog” Of maak je nog gedichten” JAaaaaaaa!
Zoals je ziet. Omdat… omdat… omdat…

Ik zie dit als een vorm van bezigheidstherapie. Een deel van de behandeling die ik voor mezelf ben gaan
bedenken. Want het gaat wel maar niet goed met mij. Ik heb last van mijn eigen nukken en grillen.
Voel dat niet alleen mijn hart bezwaard is. Maar ook mijn geest. Worstel met het fenomeen van ooit
de geest gaan geven. Waarbij dat ooit wat meer bepalend is gaan worden. Dat is niet nieuw, dat is al
jaren in het spel. Waarbij ik zelf meer de regels kon bepalen. En dat nu op een ander plan terecht is
gaan komen. Er sprake is van een zeker besef. Wat meer bewust zijn.

Maar ook daar gaat het niet om. Want daar ben ik niet enig in. Zeker niet.
Neen, het was een afscheid van Duin & Bosch. Voor anderen van Dijk & Duin. En voor weer anderen mogelijk
het nostalgisch kijken naar toen. Wij zoveel jonger waren. Aan de vooravond van het volle leven kwamen te
staan. En deden wat wij deden toen. Een doen in toen. En met een onbevangen blik de toekomst mochten
aanschouwen. Of ook toen al wolkjes zagen opdoemen. Ze negeerden. Toen. Omdat…
Tijd. We dachten niet aan eeuwigheid. Want dan raakte je je bewustzijn kwijt.
Maar dachten dit stiekem toch. En kijkten zoals we keken. Met dezelfde ogen anders.
Met andere ogen straks. Nakijken. Zonder te verbeteren. Omdat de dingen vast zijn komen te liggen.
Je nu misschien met andere ogen kijkt en je vergeten bent hoe anders je toen kon kijken.
Omdat je het moest doen met de bagage van toen. Toen.
Deelgenoot te zijn. Van een gesloten organisatie. Op één terrein.
Met een directie die ook toen niet altijd zichtbaar was. Met een keuken. Met keukenkarren.
En gele elektrokarren. Met een John aan het roer. Een Hans. Een Piet. Een Henk Jan.
Mensen die je niet altijd van naam kon kennen. Maar wel op het terrein eens zag.
De vraag: ‘jij bent toch niet…’ en iemand zei wel van het keukenpersoneel te zijn. Of van de portiersloge.
Maatschappelijk werk. Of van de opleiding. Want ik sprak ze. Even. Jaap. Maureen. Hans en Willy. Peter.
Els. Jeannette. Dani”lle. Wil. Heino. Jan. En Jan. Erik. Piet. Bert. Ischa. Tamara. Jacco. Fred.
En nog wat mensen. Met wie ik ooit iets had. Het leerling zijn en verpleegkundige worden.
De begunstigers van het literair genootschap ‘Wikken & Wegen.’
Van ‘Ik ben voor niemand iemand meer’ naar…

Een re”nie. Vol nostalgie. Met drank en hap dit keer. De hoorn die geleegd moest worden.
Omdat de grootte van Parnassia ook het tienvoudige bedraagt. Van 750 naar 7500.
Gelukkig op verschillende plaatsen. De satellieten. Waarbij de sfeer veranderd is.
Het vaak niet anders kon. Omdat product om productie vroeg. En de cijfers laten blijken…
Vandaar dat in het tweede deel de
RUIMTEVREESik

De ruimte waarin ik
mijn leven slijt
benauwt me;
de engte van mijn
ruimte biedt mij
de mogelijkheid

op adem te komen!

Dan gaat het licht
uit
en
tast

ik in het duister.

een rol kan gaan spelen. Want er scheen licht. Een straal in het rokershol. Waar blauw een voetnoot was.
De muziek te harden. Want psychiatrie blijft voor een deel: ‘koffie met een peuk!’

20091212-1260582106NP1010630