1 maart lente"!

De lente valt vroeg dit jaar! Althans, dat wil het informatiebulletin van hotmail mij doen geloven. Vandaag wordt verondersteld dat het officiële begin van de meteorologische lente een aanvang heeft genomen. Niet voor te stellen bij een temperatuur van 2 graden Celsius. En de gevoelstemperatuur het nog veel meer laat afweten. Ik afgelopen zondag nog het idee had dat de herfst de winter aan het verdrijven was en ik me nu mag gaan opmaken de lente te begroeten. Terwijl ik ‘lidder van de kou’ en de knoppen zich nog steeds schuil houden. Ik dus net zo vrolijk weer wat te zeiken heb. Wat dat betreft blij ben niet in Tilburg woonachtig te zijn. Want daar blijft men zeiken. In kruiken! Om op die manier een bijdrage te leveren aan de economie. Althans, men dit in het verleden deed. Om wol te wassen. Voor de firma AaBe. Bekend van die geruite dekens. Voordat dons en synthetische producten ook deze firma de strot om draaiden.
’t Is bijkans lente. Dus komt Gorter weer uit de kast. Waarbij de vooronderstelling dat Gorter een verkapt lid was van een bepaald genootschap, geheel en al voor mijn rekening komt. Juist door de woorden hieraan voorafgaand. Excuses daaromtrent. Maar Herman was dan ook niet zomaar iemand. Met het gedicht Mei waarin Gorter verhalende poëzie bedrijft en gelijktijdig beschrijft is het vooral de eerste regel van die zin die door veler hoofd op dit moment kan spoken:

‘Een nieuwe lente en een nieuw geluid

Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit’

waarna eenieder de rest zou kunnen kleuren. Naar eigen schrijven en naar eigen inzicht. Geheel en al naar eigen believen. En geloof het of niet, ik ben bang dat het niet lang zal duren voor de knoppen openbarsten en wij die nieuwe lente met een bepaald gejuich zullen gaan begroten. Want dat gefluit is bepaaldelijk wat uit den boze. Hoewel de huismus zich in bijzonder enclaves ophoudt de liguster door hardhouten schuttingen is vervangen en ieder zich weer achter de opgebouwde muur in onwetendheid terugtrekt, zal ook dit voorjaar weer de nodige tollen gaan eisen. Van mensen die het leven niet meer aankunnen. Geconfronteerd zullen worden juist met de buren. Hun veilige winterhol dreigen te verlaten en juist deze zekerheid verliezen. Voorjaar. Voor de één een verzoek om versnelling, voor de ander een bezoeking. Ik ben weer eens aan het
Schrijven.
Richt me weer eens tot jullie en heb geen enkel idee op welke wijze ik in jullie hoofden dring. Gelijktijdig geeft mij dit een prettig gevoel juist door de wetenschap dat ik niet fysiek tot jullie door kan dringen. Gelijk een ander moment waarop ik de hand zou kunnen schudden. Je in datzelfde moment in de ogen kan kijken. Oprecht te kunnen zeggen dat ik me daar wel bij voel.
Want met het afscheid van Mieneke in een bomvol crematorium in Haringhuizen, is voor mij de maand februari naar de achtergrond gedrongen. Leven gaat nu eenmaal door. Het besef dat alles eindig is een gegeven wat wel speelt, maar snel kan wisselen met de omstandigheid. Op de voorgrond dringt en sluierend de achtergrond weet te behangen. Gelijk dat behangetje wat er is maar zich niet laat omschrijven. De vloerbedekking in verschillende warme rode kleuren de witten strepen accentueert. En de kist vol tulpen. Geschilderd en omringd door tulpenharten. De liefde die de boventoon voert. En de genadeloosheid van de tijd. Want eerlijk gezegd was het haar tijd nog niet. Net vijftig! En het moment dat door mijn hoofd heenging: ‘straks staat ze op en zegt “een geintje”’. Maar juist dat gebeurt dit keer niet.
Het roept ook bepaalde herinneringen op. Hoe vaak en met hoevelen ben ik/zijn wij daar al geweest” En wat weet ik me daar nog van te herinneren” Niet een keer echter om 19.00 uur. Waarbij fakkels de richting wijzen. De bezoekersruimte vol stroomt. Een scherm begint te knipperen. Om stilte verzoekt. Terwijl even daarvoor het geroezemoes van vele stemmen voor verwarde geluiden zorg dragen. Het gak, gak van ganzen buiten, wat de stilte verbreekt. Het water waarop zij drijven. Wat bomen uitgelicht. De deuren open gaan. Vele mensen blijven staan. En het glazen oog dat op de kist is gericht. Wat in die andere ruimte voor dat vaste beeld zorgdraagt. Waar mensen zitten. Die anders rijen dik hadden moeten staan.
De woorden. De mensen die haar zo dierbaar waren. Voor wie zij zo dierbaar was. De snikken tussen de woorden door. En de verhalen die zich laten delen. Benzinegeld wat wordt gedeeld in de doos. ‘Voor de reis naar boven!’ Stelt een vrouw uit Leekerweide. Een instelling waar zij ooit teamleider was. Of de dame die een verhaal vertelt omtrent een vreemdeling. En hoe die vreemdeling zich een plaats weet te verwerven. Op een voorstelbare manier opgaat. In die anderen. Juist door die anderen. En de woorden door Mien zelf bedacht. Zelf besproken. Door een andere stem uitgesproken.
Een nieuwe lente en een ander geluid. Want veelal zal de lente zich herhalen. Veel zal afhangen van de mens die zich open stelt. Voor dat andere geluid. Een valse noot klinkt door dat bekende gefluit. Een geintje…”