stemverleden
Niets zo afschuwelijk dan het leed wat wij de ander weten te bezorgen. En dan de ommekeer: het leed dat wij de ander denken te besparen. Wij denken en daar schuilt vaak de fout. Dat wij doen vanuit een bestwil principe, wat zijn beste tijd reeds ver achter zich heeft weten te laten.
Het moment waarop de krankzinnigheid werd vervangen door de stoornis. Een psychiatrische stoornis desnoods. Of de afkortingen waar wij steeds bedrevener in zijn geworden: PTSS, adhd, dvd, cd en daar dan weer de geneugten van weten te plukken. Alsof het om geneugten draait. Of, zo je wenst het hogere zo makkelijk weten in te ruilen voor het goddeloze. En daar dan ook letterlijk voor gaan: god lozen…
Wij dat kunnen doen in de vorm van een zekere banaliteit. Basaliteit wat ook andere associaties teweeg weet te brengen. De ontvankelijkheid voor het laag bij de grondse: het weer letterlijk met beide benen in de strontlaag staan. De Augiasstal te reinigen, gelijk de oudheid daar een verhaal omtrent schiep. Bijkans een verhaal van bestialiteit omgeven met een wolk van Hedonisme. Chaos alom en stemmen die dit geheel van een kader kunnen voorzien. Want dat is waar ik eigenlijk naar toe wil gaan. Stemmen…
Ik had het druk vannacht. Was op mijn manier erg doenerig. Moest met Mieneke op stap en was in afwachting van Jaap de Goede. Probeerde de brandweergreep uit en zag een heel vrolijke Nelie ergens op een tribune zitten. Gekleed in voorjaarskleren. Frivool, ondeugend en in alle pasteltinten die er maar te bedenken waren. Met een opgeheven gezicht, terwijl ik maar wat rondbanjerde. Op mijn manier mijn kleren droeg. Spijkerkleren. Althans jeans. Mijn soijkerjack ergens aan een kapstol had laten hangen. En sprak. Dit keer niet over koetjes en kalfjes. Meer over het bespoedigen van het einde. In het midden latend of dit mijn eigen einde betrof. Waardoor ik mijn einde zou kunnen bespoedigen. Warrig dus. Verwarring daarnaast want zowel Jaap als Mieneke zijn niet meer van deze wereld. Hebben wel weer wat gemeenschappelijks: het crematorium onder de rook van Schagen. Haringhuizen dus. Ik op dit moment ook niet goed weet welk een draai hieraan te geven. Een droom” Een voorspelling” Vanwaar die stemmen” Stemmen uit het hiernamaals” Stemmen vanuit een ander universum” Beelden idem. Om van dito maar te zwijgen. En dit te plaatsen” Te accepteren desnoods. Als ooit door Marius Romme naar voren gebracht. En wat ik gaarne nog eens in de herhaling zet. Opdat de zaken niet verloren gaan. Opdat wat vreemd lijkt wat meer gewoon zou kunnen worden. Aldus.
‘Stemmen horen accepteren’ van Marius Romme.
Niemand in de buurt en toch praat iemand tegen je. Ben je dan gek” ‘Hoeft niet’, zegt psychiatrie hoogleraar Marius Romme. Lange tijd gold ook in de klassieke psychiatrie het inzicht dat stemmen horen als een symptoom van een ernstige geestesziekte opgevat moet worden. Romme, gepensioneerd hoogleraar psychiatrie, schudt zijn hoofd. “Het is nu bekend dat stemmen horen bij 4 procent van de bevolking voorkomt. Slechts een klein deel heeft er last van. Gandhi – grondlegger van India – hoorde stemmen, Churchill ook. Het is een vooroordeel dat stemmen horen een uiting is van gekte, van schizofrenie.”
“Stemmen kunnen een negatieve boodschap uitspreken, maar ook een positieve tijding brengen of ondersteuning bieden.” Volgens Romme is er in tweederde van de gevallen sprake van een ‘positieve stem’, in andere gevallen hebben de stemmen een negatieve lading. “Dat zijn stemmen die je kleineren, uitschelden, foute opdrachten geven. Min of meer traumatische gebeurtenissen in het verleden liggen eraan ten grondslag: seksueel misbruik, geweld, liefdesverdriet, afwijzing, ontslag. Van die dingen.”
De therapie bij de problematische stemmenhoorder berust op de ontsluiering van de herkomst van de stem en daarmee op de gebeurtenissen in diens persoonlijke leven die de heftige emoties teweeg hebben gebracht.
“Op wie in je leven lijkt die stem” Wat heeft hij met je leven gedaan”” die emoties moet je herkennen, begrijpen, bespreken met anderen. Dan ebt schaamte weg, worden taboes doorbroken en leert men om te gaan met de stem. Dan eindigt Romme met het volgende: “ook moet de betrokkene tot het inzicht komen dat die stem niet almachtig is. Vraag hem eens de afwas te doen!”
Ik las dat ooit in Vrij. En dat het nu naar voren komt is zeker niet zonder reden. Morgen had mijn vader uit 1920 eenennegentig jaar kunnen worden als zijn lot niet anders over hem beschikt had. Op 67-jarige leeftijd (in 1987) kwam zijn leven tot een eind. Stierf hij aan de gevlogen van een septische shock. En hoorde ik nog jarenlang zijn stem en zijn kuch. Zag hem aan zijn nicotinearme pijpje zijn volgende zware Brandaris roken. Ik ben nu al jaren zijn stem kwijt. En probeer mij zijn stem te herinneren. Tevergeefs tot dit moment. Maar ik houd hoop. ‘The rising hope’ in zekere zin. Maar dat doet dan weer denken aan de weduwe. Zijn weduwe. Wijlen mijn moeder. Haar stem ben ik nog veel langer kwijt. Omdat ik haar voor een groot deel gewist heb.
Ik droomde. Ik dacht dat ik wat hoorde en sprak. Waarschijnlijk slechts in enkele seconden. Maar dan nog hoorde ik stemmen en zag de onmogelijkheden. Vannacht. Of was het reeds morgen”!
Laatste 15 Reacties