Laat het zo zijn

DEMENS DEMENT
Verankerd aan haar rolstoel
verpakt in vaal gelooid vel
brengt zij de klok
in vergetelheid rond.
Flitsen van gisteren
teisteren
momenten vandaag
haar hersencellen als
flakkerende
kaarsjes in de wind.
Objectief beschouwd
is zij slechts
een glimp
van wie zij was;
een tand’loos wezen
met een scheefgezakt gezicht.
Op haar eigen eiland
blijft contact
beperkt
tot het vluchtige moment
waarop anderen
haar in beweging brengen.
Versluierd heden
beneveld verleden
onaantastbaar wachtend,
onvermijdelijk.


iGer.nl
Een tekst waarop veel af te dingen valt. Een tekst ook die spontaan naar boven borrelde. Toen. Heel lang geleden. Eigenlijk ook een tekst die zich voor velen leent. De aanleiding is ook nogal bijzonder. In Amsterdam reeds lang gemeengoed. Een tekst die door een dichter wordt voorgedragen als iemand zonder nabestaanden in een graf wordt neergelaten. Begraven op kosten van de Sociale Dienst. Een groep mensen waar niemand een laatste eer bewijst. Verwaarloosde bejaarden, zwervers, illegalen, oude junks, en ook mensen zonder directe familie of nabestaanden. Eenzamen. Alleenstaanden. Mensen die niet gemist worden. Kluizenaars. Vreemdelingen in zekere zin. Als broer op Duin & Bosch. Twee data. Een grafsteen.
De stadsdichteres van Alkmaar, Margreet Schouwenaar, draagt een gedicht voor. Van haar hand en uit haar hart. Een wildvreemde die haar tekst in een vorig leven niet heeft gehoord. Niet heeft gekend. De emotie die dit bij Schouwenaar oproept. “Triest”, zegt de dichteres na afloop. “Op een gegeven moment dacht ik: ik sta hier voor jou, hoor! Je bent dan wel een wildvreemde man voor mij, maar ik sta hier voor jou.”
Een steen zal er niet komen op het graf. Enkel een bordje met wat gegevens. Mogelijk wel de tekst die Margreet Schouwenaar uitsprak. Waar ik gewag van wil maken. Want niet ieder leest de Alkmaarsche Courant. Niet ieder is in staat geweest om haar tekst tot zich te nemen.
LAAT HET ZO ZIJN
Omdat de bomen zwijgend
staan onder de talen van de
lucht, een vogelvolk op hun
takken, vindt de wind zich
in hun blad terug.
In dat waaien, wiegen,
wagen, in dat luchten en
dat luwen vind ik jou en
noem je naam, zacht
als gras, als avond, als kar-
rensporen op een pad. Ik
strooi letters in de wind
zodat hij je vindt in het
ritselen
en razen, het blazen en
bedaren. Dat je met de
bomen mag waken wens ik,
zonder vragen, zingend,
hoopvol. Laat het zo zijn. Ik
ben
hier. De wind zal je dragen.
Een zucht, stuivend als
zand op een pad. Een thuis-
komst. Iemand noemt je
naam en jij zal opstaan.


iGer.nl