HIJ en ik

Hij en ik
Ik ben bang voor hem
als hij zijn armen losrukt uit mijn hand
zich omdraait en mij dreigend aankijkt
en daarbij gromt, de hand al tot een vuist gebald,
dan ben ik bang voor hem,
omdat ik weet, met zekerheid,
dat ik hem dreig
door er te zijn
en dat ik sneller moet zijn dan hij,
zijn armen pakken en zijn blik verbreken
door strak te stralen met mijn macht,
dan zal hij buigen en niet vergeten
dat ik het lam weer heb geslacht.
Ik ben bang voor hem
als hij het naderend ongemak,
dat ontlasten voor hem is,
aan mij verwijt.

Ik was hem.

En doe hem eens per week in bad

en kleed hem aan met kleren, die ik kies

en scheer hem daaglijks glad

en voed hem en geef hem drinken

en stop de pillen in zijn mond

Ik laxeer hem en zet hem op toilet.

Als ik mijn ogen sluit,

zie ik hem met het hoofd omlaag

de gang doorsjouwen.

De armen zwaaiend voor zijn schuddend lijf

de knieen diep gebogen.

En verbaas me:

want op een stoel zit hij

als een verveeld kind in de schoolbank,

met een been onder het lichaam

of op zijn hurken

als een vogel.

Toen de psychiatrie

nog niet de beschikking had over pillen

om krachten te beteugelen

die mensen buiten zinnen laten zijn,

werd hij aan een paal gebonden

op mannen III.

Een tijd. Een verleden. Een beeld, geenszins verkleurd. Een tijdperk naar het heden wat even aangeeft hoe het verleden in het heden een nakende toekomst kleurt. De psychiatrie als altijd terug in de verdomhoek. Tenminste, dat is het beeld wat de huidige tijd bij mij oproept. Terug naar toen. De spreuk ‘veel meer leidde hen de mens en het gevoel voor mensenwaarde’ aan draagkracht inboet. Want waar de draaglast toeneemt is het voorspelbaar dat de kracht af zal nemen. Vandaar dat ik het vervolg naar morgen uitstel. In de ijdele hoop, dat…