Twentytoe

Zondag 22 juli:

De jaren zeventig: HET IK TIJDPERK.

‘Al die zelven, al die ikken – ze interesseren mij niet meer. Ik heb mijn eigen ik. Ik heb dagelijks te maken met de ikken van mijn kinderen, mijn ouders, mijn vrienden en vriendinnen, mijn collega’s. Ik stik in het iksel om mij heen.’ Aldus fulmineerde K.L. Poll in zijn column tegen de hedendaagse Nederlandse letterkunde, en hij ging in dezelfde Van Deyssel-trant verder: ‘Ikkerige lezers zullen vast veel van zichzelf terug bij ikkerige schrijvers. Daarmee zijn mijn bezwaren tegen de ikkerigheid niet verdwenen.’

Hij specificeerde: de dagboeknotities alsmede de driehonderd sonnetten over zichzelf van Budding’, de Indische jeugdherinneringen van Rudy Kousbroek, de autobio die Koot zich groef, de roman van Maarten ’t Hart die zeer dicht tegen zijn autobiografische werkelijkheid aan ligt. Om dan zijn hoofdbezwaar te formuleren: ‘wat mij hindert in de ik-literatuur is de beperking van de dramatische stof.’

Ook ik moest zonodig zo’n ego document ’ter wereld’ schoppen. Het is ervan gekomen. ‘AFSCHEID’, waarvan zo’n kleine tweehonderd exemplaren op zolder liggen te verstoffen. ‘Ashes to Ashes, dust to dust.’ Met een Requiem in Pace!


iGer.nl