dinsdag de zoveelste

Dinsdag, 07-08-’12.
Zuchtend stond ik op, wandelde langzaam in de richting van het joodje, en nadat ik nog even overwogen had dat de bewaker weer eens misbruik maakte van mijn bereidwilligheid, zei ik lijmerig en voor de gelegenheid zo gutteraal gelijk: ‘Excuse me, mister Cheronim.’ Het joodje mummelde nog een tiental seconden verder en keek mij dan met de bruine ogen van een gazel aan. ‘I suppose you speak English’, zei ik, blij dat ik zo spoedig en vooralsnog zonder dreigend onheil contact had gekregen. Hij bleef mij intens aankijken maar gaf geen antwoord. Met mijn voordeligste glimlach wees ik uitnodigend naar een nabije tafel, want ik had het gevoel dat het gesprek beter zittend tot stand zou komen. Het wiebelen van zijn lichaam had weliswaar opgehouden, maar hij stond daar nog altijd in een ietwat vibrerende houding, alsof de cadans elk ogenblik weer op gang kon komen. Achter ons had de bewaker zich discreet teruggetrokken, maar hij bleef in de nabijheid,gereed om bij de eerste gunstige gelegenheid de paardedeken in te pikken.
Het joodje klapte zijn gebedenboek dicht, maakte er een bezwerend gebaar over, en ging gewillig met mij aan tafel zitten. ‘Glad to meet you’, zei ik vormelijk. ‘My name is Roger. Can I do something for you”‘ Hij gaf geen antwoord, maar haalde ergens uit een diepe zak een pakje sigaretten tevoorschijn en hield het met zijn behaarde, welverzorgde hand voor mijn neus.
Alhoewel ik nooit filtersigaretten rook, durfde ik beleefdheidshalve zijn aanbod niet afwijzen, want wie weet wat de Talmud zegt oven een geweigerd geschenk. Ik nam een sigaret en dankte, zoals het betaamde. Hij hield het pakje nog steeds voor mijn neus en stak drie vingers van zijn andere hand op. Ik keek verbouwereerd, maar hij knikte bemoedigend en wilde kennelijk beduiden dat ik drie sigaretten moest nemen. Ongetwijfeld verkeerde hij in de waan dat ik hem had vastgeklampt om hem sigaretten af te bedelen. Het was een pijnlijke situatie.
Toch durfde ik ook deze maal niet te weigeren, want het was duidelijk aan de glans in zijn gazellenogen te merken, dat hij diep teleurgesteld zou zijn als ik zijn mildheid niet op prijs zou stellen. Behoedzaam legde ik de toemaat van twee sigaretten langs mijn linkerzijde op het tafelblad, buiten het bereik van Gerrit, die achter mijn rug nog steeds op buit stond te loeren. Ik gaf het joodje vuur en trachtte nogmaals een gesprek op gang te brengen.
‘Fine cigarettes’, zei ik. ‘I like them very much.’ Het klonk bedroevend idioot en het was daarenboven een grove leugen want een filtersigaret geeft mij altijd de smaak van geparfumeerd hooi. Nog steeds geen antwoord. Ik moest het over een andere boeg gooien. ‘Sprechen Sie Deutsch”‘ vroeg ik. Na Kaltenbrunner zullen alle joden wel een mondvol Duits spreken, dacht ik.
Soms is het de schone schijn van een samenloop, op andere speelt het toeval mogelijk een rol. Het kan haast niet anders dan dat het een, vaak niet direct zichtbaar, het andere weet te beroeren. Of dat er verbindingen tot stand worden gebracht, die zich niet direct laten benoemen. Anders zou ik dit gebeuren niet weten te omschrijven. Zijn het de gedenkstenen in Neuwied die mijn oog op juist dit verhaal lieten vallen” Is het taalgebruik wat Van de Velde hier tentoonspreid, vergelijkbaar met de woorden die Dimitri Verhulst in zijn boek ‘De helaasheid der dingen’ bezigt” Is het het bitterzoete wat beide schrijvers in elkaar verstrengelt” Ik weet het niet. Maar het moet dit keer kennelijk zo zijn. Dat heeft iets weg van een zeker genade. Laat ik daarom het woord Amen maar vallen…