de negende van de achtste in het jaar des heren 2012

Donderdag, 09-08-’12.
Het beeld dat in het volgende fragment een belangrijke rol speelt, herinnert mij aan Wieringenland D. Ooit de meest afgelegen en, in zekere zin, meest achtergestelde en afgrijselijkste afdelingen van het Provinciaal Ziekenhuis Santpoort. Aan het einde van het terrein, het voorportaal van Jagtlust. Een bijkans ontoegankelijk bosgebied, waar zich een openlucht zwembad bevond. Waar Marianne werd gevonden, nadat zij in mijn grijze wollen vest was verdronken… Genoeg echter, laat ik terug gaan naar het laatste deel van Roger van de Velde. Het is nog steeds uit het boek Knetterende Schedels waar ik dit verhaal in opdook.
Toen ik een half uur later naar het toilet ging, stond er een rijtje van vier man aan te schuiven, terwijl het joodje bezig was omslachtig een kleine behoefte te doen. Achterin de zaal waren er slechts drie toiletten voor honderd en tien man, zodat er bijna altijd grote toeloop was. Daarenboven was het bedrijf in die toiletten een openbare vertoning, want sinds Marynissen zich een half jaar voordien aan de waterbak had opgehangen, had men de deuren er uitgebroken.
De kleine behoefte van Mosje Cheronim moet ruim tien minuten geduurd hebben. Hij waterde overvloedig en lang met een ongemeen krachtige en luidruchtige straal van een paard, terwijl hij opnieuw als in trance zijn lichaam heen en weer stond te wiebelen. Het was ongelooflijk dat zo’n enorme hoeveelheid urine samengeperst kon zitten in de blaas van zo’n nietig mannetje.
Achter zijn rug ontstond een morrend rumoer en er werd geestdriftig in de handen geklapt toen Lionel met zijn kinderstemmetje riep: ‘Smerige rotjood, ga in Jeruzalem zeiken!’
Toen Mosje Cheronim zich eindelijk omdraaide, speelde er een kleine glimlach boven zijn baard. Het was de droevigste en meest verachtelijke glimlach die ik ooit heb gezien.
Hij ging, nog steeds gedrapeerd in zijn paardedeken, opnieuw postvatten voor de kalkmuur en herbegon zachtjes balancerend zijn gebeden te reciteren zonder enige aandacht te schenken aan de kring van kijklustigen die zich geleidelijk weer rondom hem vormde. Ook mij gunde hij geen blik meer. Hij moet zich zo eenzaam en onschendbaar gevoeld hebben als Jahwe in het paradijs.
Dan val ik stil. Weet ik even niet goed wat te zeggen. Want als iemand het beeld van een mens in de psychiatrie zo weet te omschrijven als Van de Velde deed, wie ben ik dan om daar nog verdere woorden aan te gaan weiden. Dus staakt dit keer mijn stem…