Guur he"!

Aan de loop. Door weer en de wind in de rug laat de afwezige zon achter mij schijnen. Koud vandaag zo stappend in mijn joppertje.
Aan de overkant raast het verkeer en laat geen zichtbaar spoor na. Het grauw is grauw en de zon straalt, waarschijnlijk, meer en meer. Schijnt steeds hoger aan de hemel achter de wolken en de kracht laat” zich daar raden. Koud blijft de bries, de kraag blijft opgeheven. En de stappen doen mij stappen, de paden zijn te raden. Aan te raden dan wel af te raden en iedere keer is daar toch weer dat onverwachte.
Een gedachte die ergens in mijn achterhoofd zingt.
Een Engel hangt ergens op een verhoging. Opstand.
Een op stand aan de wand. En een gesloten blik.
Alsof het zonlicht het licht heeft weten te verduisteren.
Opdat de Engel de ogen sluit.
Ergens wat harpgestreel als fluisterend fluweel.
Een zichtbaar zijden geruis. Hoorbaar als je luistert.
Wat ooit op school werd gepropageerd. Niet horen maar luisteren. Niet zien maar kijken. Wat te doen als je niet kunt ruiken” Tasten”! Proeven”! Welke sensaties laat ik onderweg niet verloren gaan. Kan ik mijn gedachtestroom wel onderbreken”! Of gaat die rusteloos door”! Kent die stroom een eigen wil, een eigen wetmatigheid”! Is dat de rusteloosheid die ‘restless legs’ typeert”!
De eindeloze beweging”! Perpetuum mobile”!
Ik kan me dit moeilijk voorstellen”
Ik doe eigenlijk niet eens een poging.
Ik hoor een klokkentoren elf uur slaan.
En kijk op naar de aula waar een koe als windveer wat verlaat licht probeert te vangen. Want de klokkentoren geeft de begraafplaats aan. Waar ophef ontstond omtrent een columbarium. Waar urnen geplaatst kunnen worden.
De schoorsteenmantels die verdwenen zijn.

Gesloopt in een wereld die om ruimte vraagt. De knusheid van een ouderwetse kolenkachel slechts te vinden valt in een museum, een kachelmuseum. Waar je niet eens kachel de tent kunt verlaten. Je de kans niet krijgt om de kachel aan te maken. Laat staan een Jaarsma te omhelzen. Of om tamme kastanjes op te poffen. Van een kruisje voorzien. Om het inwendige te kunnen laten rijzen.
De kop zelfbereide chocolademelk. Cacao van Droste. Van die eindeloze blik. In blik nog wel. Suiker van een biet. Uit een vandaag gelezen keukenlijk. Een verkoperd, dunstalen exemplaar is door J.M.M. v.d. Broek onder ned. Octrooi no. 50577 in HAAG geproduceerd, ‘de pot van het type buikmodel’. Te vinden op www.mijndenhaag.org/interviews.php (laatste filmpje). En volle, ongepasteuriseerde melk, die ’s ochtends uit een melkbus was getapt. Met een literkan. En het royale gebaar waarmee de melkboer, de latere melkman, dit weer in een kan weet te gieten. Enkele centiliters weet achter te houden. Want vele centiliters leiden uiteindelijk weer tot een nieuwe liter. En er werd al zoveel op de lat geschreven. Het huishoudboekje werd met kunst en vliegwerk zuiver gemaakt.
Er was geen sprake van een ‘even roodstaan”‘ Dat gaf geen pas. Er werden geen kwartaalkredieten aangesmeerd. Een kredietkaart voorgehouden. Loon werd in een bruin zakje uitbetaald.
En er was boter bij de vis. De wereld was genietbaar. De wereld was klein. Overzichtelijk. En als een vreemde langs liep, werd een hand opgestoken. De vraag gesteld wie deze of gene was. Een vreemde de weg gewezen. En als de vreemde weer verdwenen was de vraag gesteld: ‘wie was ’t en wat komt’ie doen””!
Er was armoe. Die hield de mensen netjes. Er werd gedeeld. Later zou het een wereld van verschil worden, door slechts één letter verschil. Ook toen kwamen er dealers. Handelaren die zich als vertegenwoordiger gingen manifesteren. Reclameborden, ge”mailleerd. Nu kapitalen waard. Of vanuit nostalgische overwegingen weer gereproduceerd.
Om herinneringen actueel te maken. Een beroep te kunnen doen op een zeker verleden. Een herhaling van het voorafgaande te actualiseren.
Ik liep in Alkmaar en zag de wereld aan mij voorbij gaan. Alles wat ik zag, bevond zich aan de overkant. Het water dat mij scheidde spiegelde zich” aan mij”! Of was het ik die scheidde”!
KRINGLOOP
De regen druipt
in lange ketens
langs de takken
in het meer
wat opstijgt
naar de hemel,
raast ’t in verkeer
de kringloop
keert
de kringloop
weer.

Een schone dag is wat ik JU wens. Ook daar ben JU weer zelf blij!
Vandaag was de balans even ver te zoeken..
Een beetje het evenwicht kwijt.. En moest dat natuurlijk verduren!
Dus moesten de hulptroepen er weer aan te pas komen
Niet een hartclupbende.. Maar een andere ondersteuner.
Snel, geluidloos..niet geheel pijnloos…doos!
Doodziek van,….
Raakt dat niet over dan!
….. Maar op de terugweg zette ik de zonnebril op..
Lekker..Dat licht..die warmte op mijn gezicht..
Even genieten
Want het kuurtje van 8 tot 18 weken zal overgevoelig maken, voor de door mij zo geliefde zon..
Bewust van elk straaltje zonlicht door het raam..
Voel ik toch..
Geluk
Het geluk is overkomelijk. Men plaatst het
in een vitrine en gaat aan het werk.
Wie ernaar vraagt krijgt het te zien,
onder weloverwogen commentaar.
Het is gebruikelijk om “s avonds achterover
te zitten en het geluk, zoals dat beschaafd
verlicht tentoongesteld staat, te beschouwen.
Men stoot de deelgenoot erover aan.
Die knikt of zegt heel zachtjes: “Ja.”
In hoeverre het geluk ons bepaalt
is niet eens een vraag: totaal. Wij zijn niets
dan ons geluk, en het geluk is waar wij zijn.
Slechts tijdens het afnemen van de glasplaat
slaan we soms de ogen neer. De vochtige
doek hangt slap in onze handen. Zo mooi.
Mark Boog (1970)