Een verhaal (tje)

Hij had heel andere plannen. Maar dit keer was er geen ontkomen aan. De bel schelde door de holle gang en het geluid stoorde hem verschrikkelijk. Hoe hij ook probeerde zijn vingers in zijn oren te stoppen, het schrille geluid drong tot diep in zijn wezen door. Een trein die knarsend door een wisselstraat reed, had het moeten afleggen. Gillend bleef de nagalm piepen. En waar hij in het verleden het geluid door een kussen probeerde te dempen had het er tegenwoordig veel van dat juist dat geluid ervoor zorgde dat hij bijkans gillend gek werd. Onderwijl bleef hij zijn voordeur barricaderen, had voor de ramen dubbele gordijnen aangebracht en vertoefde, voor het overgrote deel van de dag, in zijn bed onder een stapel wollen dekens. Want wol kon nog enigszins voor behaaglijkheid zorgen. De AaBe dekens die hij nog van vroeger kende, de schapen waar de wol van in die dekens was verwerkt, met kleuren die verbleekten. Wassen was er niet meer bij. Daar had hij al jaren geen oog meer voor. Net als al die keren dat hij zijn neus aan de verschillende loketten had gestoten. Waarbij het kastje en de muur voorspelbare vrienden waren geworden en hij niet meer als volwaardig werd beschouwd. Een man die buiten de wereld was gezet en waar hooguit aanstoot aan werd genomen op die momenten waarop hij het waagde naar buiten te gaan. Veelal in het duister van de nacht en nog veel liever in het ochtendgloren. Als een morgenster dwaalde hij dan door de verlaten straten, verblikte noch verbloosde wanneer her en der een licht aanging. Verlaten, doelloos vervolgde hij zijn weg en slechts een enkeling waagde het een blik in zijn richting te gunnen. Uiteindelijk wist hij niet beter en schikte zich in zijn lot. Van eenzaamheid had hij geen last; zijn hoofd zat nu eenmaal vol stemmen. Tot…
weer ging die bel. En wat hij ook probeerde, zijn hoofd onder een stapel kussens, watten die uit zijn oren puilden en de dekens waaronder hij verborgen ging, bleef de bel dit keer schellen. Er was geen ontkomen meer aan. Even deed hij een poging om de bel te overschreeuwen, maar niet veel later lieten ook zijn stembanden het afweten. Met dichtgeknepen keel waagde hij een poging om uit bed te stappen, het veilige hol wat hij koesterde te verlaten, de trap af te gaan en de holle stappen in de verlaten gang eigen te maken. Maar door de plukken watten drong dit geluid ternauwernood tot hem door. De sleutel! De sleutel! Waar had hij die in Godsherennaam gelaten” Op het aanrecht in de keuken stond een stapel vuile borden, naast een enkel kopje dat hij dagelijks gebruikte voor zijn hoeveelheid koffie. Want koffie hadden ze voorheen altijd voor hem klaargemaakt en ingeschonken. Hij hoefde het toen alleen maar op te drinken en daar nog een veelvoud van suiker aan toe te voegen. Ze hadden hem wijsgemaakt dat dit goed voor hem was, goed voor de stemmen in zijn hoofd en goed voor zijn lijf. Toen. In de tijd dat hij nog pillen slikte. Maar ook die pillen waren in de vergetelheid verdwenen, gelijk zoveel andere dingen in diezelfde vergetelheid verdwenen waren. De seizoenen bijvoorbeeld, de afwisseling van dag en nacht, de dagen die weken werden, de maanden die jaren werden en de momenten die ooit een rol in zijn leven speelden. Verjaardagen, carnaval, Pasen en Pinksteren, de Kerst en het Oude Jaar wat door een ander jaar werd verwisseld. Hij zou, bij diezelfde God, niet weten in welk jaar hij nu vertoefde. Was zelfs zijn leeftijd ergens onderweg kwijtgeraakt. Hooguit dat hij nog even stilstond bij het feit dat… wanneer was hij nu ook weer jarig” Zelfs dat was hij kwijt.
De bel schelt. Alweer. Nog steeds. Er komt geen einde aan. Schelt de bel in zijn hoofd, of drukt iemand van buiten op die bel” Een beklemmende vraag die om een antwoord schreeuwt. Een indringer zoals ooit die voordringers zich manifesteerden. Waardoor hij iedere keer opnieuw werd geconfronteerd met een loket wat net gesloten werd. Hij de mededeling ontving de volgende dag nog maar weer eens een poging te wagen. Hij zijn schouders liet hangen en moedeloos zijn hoofd in de kraag van zijn jas verborg.
Hij werpt een blik door het glazen oog in zijn voordeur. Ontwaart de contouren van waarschijnlijk een vrouwspersoon. En neemt een onwaarschijnlijk besluit. Steekt de sleutel in het sleutelgat en opent zijn voordeur.
‘Dag’, klinkt een opvallend heldere stem van een kittige, jonge vrouw. ‘Ik ben uw nieuwe buurvrouw en wil heel graag met u kennis maken! ‘Ik heb begrepen dat u alleenstaand bent en wil u graag voor een drankje bij mij thuis uitnodigen!’ Hij slikt even en is verbaasd wanneer hij zichzelf hoort zeggen deze uitnodiging van harte aan te willen nemen. ‘Wanneer schikt het u”‘, vraagt zij met nog steeds diezelfde heldere warme, stem. En wanneer hij dan zegt ‘nu’ is dat…
Vrede en veiligheid. Of mensen altijd in staat zijn om hun welbehagen te bevredigen zal altijd wel een vraag blijven. Maar indien geen poging wordt ondernomen, zal het antwoord voorspelbaar zijn en blijven. Ken uw buurman. Leer uw buurvrouw kennen, ontmoet de mensen in uw straat en noem ze bij naam. Het maakt de wereld een stuk groter door klein te beginnen en sta versteld welk een wereld er dan voor je opengaat!
Wik.