oude doos

20091105-1257457090N1104teersmeer996

Wat uit wat oude dozen. Wat over angst. En vechten. Het varen wat meer op de achtergrond.
Want die titel staat op naam van K. Norel. Net als Engelandvaarders. Ook een boek van gisteren.
Een voorleesboek op de Lagere School. Toen ik nog gewoon Lager Onderwijs genoot.
Waar nu sprake is van de Basisschool. Toen het zevende leerjaar een tussenoplossing was.
Om dat kleine jongetjesgevoel nog even de gelegenheid te geven. In een muziekklas van muziek mocht
leren genieten. De noemer: niet horen maar luisteren. Vergelijkbaar met niet kijken maar zien.
Van Meneer Boon. En Meneer Lemstra. Coryfee”n voor die tijd. Later op het middelbaar onderwijs
hun andere wegen wisten te vinden. Net als Meneer Uytenbosch. De schoonzoon van de heer Slabbenkoorn.
De bovenmeester van de Van der Leeuwschool. Tegenwoordig een moskee.
Jaren vijftig: asfalt en hondenpoep. Van graffiti was geen sprake, tenzij je mijn teerschilderij als zodanig
zou gaan beschouwen. Vandaar dat plaatje met dat steegje.
En dat huis: Jacob van Heemskerkstraat nummer 1.

20091105-1257457239N1104jacob1straat994

En de rest van wat deze dag voor mij betekent: 62 en een half jaar.
Als je 6 mei als uitgangspunt neemt. Vandaar vandaag vandaag. En dat stuk van Diekstra.
Geniet en doe dit met een zeker genoegen.
Want desondanks heb ook ik hier weer enig genoegen aan ontleend.
Al was het alleen maar door het feit dat ik weer een brief mocht ontvangen: van Achmea vitale.
JU weet wel: dat bedrijf wat ontzorgt…
VANDAAG

Geen zon gezien
vandaag
het licht kwam op
ging onder,
geen mens gezien
vandaag
liep het gewoon niet
lekker,
geen ding gezien
vandaag
het wezen liet
verstek gaan;

vandaag
ging het niet
veel beter
als het morgen
gaat

vandaag.

Angst voor de verlammende waarheid.

Ik was een jochie van een jaar of acht toen op een bepaalde dag werd geconstateerd dat ik aan
geelzucht leed. Ik at al een tijdje niet of nauwelijks, was steeds misselijk en gaf dikwijls over.
Vanaf het moment dat de diagnose hepatitis A werd gesteld, mocht ik niet meer naar school.
Ik werd op een aparte kamer in huis ondergebracht, waar ik de hele dag op bed moest liggen.
Mijn broers en zus mochten de eerste weken niet bij me en contact met de buitenwereld verliep
voornamelijk via mijn moeder. Twee weken lang voelde ik me letterlijk en figuurlijk doodziek.
Ik hing voornamelijk boven een emmer. Omdat ik vrijwel niets at, waren de overgeefkrampen
soms zo pijnlijk dat ik er wanhopig van werd. Op een middag, terwijl ik voor de zoveelste keer
boven de emmer hing, kwam er opeens deze gedachte in me op: ‘Ik wil dood.’
Ik denk dat ik me dat moment nog zo goed herinner omdat de gedachte volstrekt nieuw voor me was.
Maar ik denk ook dat iets anders een rol speelt. Op de een of andere manier veranderde die gedachte
ook mijn houding ten opzichte van de pijn, alsof-ie hoop gaf.
Pijn is niet voor eeuwig, er komt altijd een einde aan. Onlangs kreeg ik dezelfde symptomen terug
als ik als jochie toentertijd heb gehad. Geel worden, misselijkheid, overgeven, doodmoe zijn.
Omdat mij altijd verteld was dat je geen tweemaal hepatitis A kunt krijgen
(iets waarvan ik inmiddels weet dat het niet waar is) en omdat ik niet tot de risicogroepen voor
hepatitis B of C behoor, was mijn angst dat er iets ergs, iets structureels aan de hand kon zijn.
Dat was ook een van de hypotheses van de artsen, die ik raadpleegde.
Ik heb een aantal dagen, tussen hypotheses en uitslagen van onderzoek, flink in de rats gezeten.
Omdat in diezelfde onzekere periode mijn symptomen flink verergerden, heb ik al mijn
psychologische zeilen moeten bijzetten om niet in paniek te raken.
“Ik wil niet dood, nog niet, en als toch het ergste blijkt, dan zal ik vechten, zolang mogelijk”,
heb ik mezelf regelmatig voorgehouden. “Maar wat als je verliest””, kwam er even regelmatig
een stem tussendoor. En ik zag in gedachten een lijdensweg voor me waarin artsen, ziekenhuizen
en symptomen nog voornamelijk mijn tijd vulden.
Ik heb die tweede stem, zolang de onzekerheid duurde, nooit volledig het zwijgen kunnen opleggen.
Maar wel steeds beter van repliek kunnen dienen.
“Als ik verlies, dan wel omdat ik werkelijk verloren heb en dat weet ik pas als ik gevochten heb.”
Vechten zal ik dus. “Maar misschien blijkt het wel een wanhopig gevecht”, kwam die stem me dan
toch weer onderuithalen. “Misschien, misschien ook niet”, was steeds vaker mijn antwoord.
“Maar er is nu geen reden voor wanhoop.”
Het was op een van die momenten van gehakketak in mijn binnenste, dat ik opeens werd herinnerd
aan de doodsgedachte die ik als achtjarige had gehad en het gevoel van hoop dat het mij als kind
had gegeven. Er is geen reden voor wanhoop.
Er is nooit reden voor wanhoop. Als je vecht en wint, dan gaat dit voorbij. En als je vecht en verliest,
dan gaat dit ook voorbij.
De vraag is dus niet of je wint of verliest, maar of je gaat vechten.
Voor wie niet vastgevroren wil komen te zitten in angst, is de vraag stellen haar beantwoorden.
De angst voor de dokter, waar zoveel mensen aan lijden, is daarom geen angst voor de waarheid.
Het is angst voor verlamming als je de waarheid te horen krijgt.

Ren” Diekstra, Alkmaarsche Courant, ma. 03-11-2008.

20091105-1257457359NP1010413