spreekt voor zich (uit!)

20091206-1260054978N2706parkhof943

Een beeld wat zich ergens in mijn geest heeft vastgehecht. Omdat ik een poging ondernam om dat beeld
voor mezelf vast te leggen en ik de beschikking had over woorden en het één kon koppelen aan het andere.
Hoewel het beeld verbrokkeld werd door de tijd, bleef dit beeld me altijd bij. Zag ik er zelfs de
bloemetjesjurk bij. Die op een bepaalde dag, door een bepaald bedrijf op een bepaalde manier door de
‘strot’ van bepaalde mensen werd geduwd. Als het ware dan. Want de meeste mensen daar aanwezig
waren nauwelijks in staat om hun voorkeur naar voren te brengen. In een tijd dat voor de ander werd
gedacht. Waarin de afdeling zich kenmerkte door de grote mate van voorspelbaarheid. Waarin het
voedsel door een keukenmachine op voorhand werd verpulverd. En dit geheel onder de noemer
Meulengracht naar de afdeling werd gebracht. Waarin gamellen een belangrijke rol speelden.
En waarin de medicijnen soms terug te vinden waren in de vla die ook in een aangepaste gamel naar
de afdeling kwam. En er in geen velden of wegen meer gebitten waren te ontdekken.
En de tandarts” De tandarts in het begin van een opname aan het werk was. Om restanten te trekken.
Want het was veel makkelijker om met tandeloze mensen verder te gaan. Tenminste, als het aan de
afdeling lag. En vaak lag het aan de afdeling. Met name indien er sprake was van een bepaalde chroniciteit.
En chronisch ziek zijn lag direct op de loer. Als familieleden zich van de betrokkene afkeerden.
Eindelijk eens rustig konden ademhalen. Zich ontworstelden aan het fenomeen van de mantelzorger.
En wisten dat het bed klaarstond. Op de betreffende afdeling. Of op de ziekenzaal.
En de daaraan gekoppelde toezichtzalen. Met allemaal koppies die ’s nachts ongestoord lagen te ronken.
Te zuchten en te steunen. Of in hun slaap begonnen te praten. Terwijl er overdag geen stom woord
werd gewisseld. Omdat er dan weer sprake kon zijn van een stoornis. Of een eindeloze herhaling.
Van een beweging. Van een woord.
En geenszins het laatste woord. Het laatste woord kwam veelal van een arts.
Indien een laken over dat koppie werd gelegd. En de laatste eer nog plaats ging vinden. Tenminste…

In oudere beelden werd de laatste eer ook vastgelegd. Daarop zijn een aantal kraaien te zien en werd
iemand soms in een armengraf ter aarde besteld. Geen verwanten meer te bespeuren. Behalve als
men dacht dat er nog wat te halen viel. En de teleurstelling groot was indien de uitkering opgegaan
was aan de kosten van de eigen bijdrage. De AWBZ. En het moment waarop deze eigen bijdrage
werd ingevoerd: het moment waarop een aantal patiënten zich acuut verbeterd dan wel hersteld
meldde. Ergens in de jaren zeventig. Er ook mensen waren die daar eerlijk voor uit kwamen.
Noem hen geen profiteurs. Want zo zagen zij zichzelf absoluut niet.
Maar ergens gaven zij wel blijk van dat steekje. Dat toch wel erg los zat.

Over die tijd en al die andere tijden gaat Demens Dement.
Omdat het voor een deel ook weer geactualiseerd wordt. Door de verhalen van Marlies.
Die iets heeft met deze mens. En daar zo af en toe ook boeiend over kan vertellen.
In de zin van hoe zij denkt dat deze mens hun zijn beleven. Op dit moment. Dan weer verdwijnen.
In de wereld van de hersenschimmen.
Ik draag demens dement op aan mensen die wij allen kennen.
Mensen die er zijn en dan zomaar weer verdwijnen.
Gelijk de Sint vandaag zijn eigenlijke verjaardag viert. En dat verhaal wat aan zijn status
gekoppeld kan gaan worden. Van de drie kinderen die hij van een wisse hongerdood wist te redden.
Althans, wat de overlevering kan doen geloven. En wat mogelijk nog meer verscholen gaat.
Simpelweg in tijd. De Sint die zomaar in het niet verdwijnt. En waar ik, op geheel mijn eigen wijze,
nog even aandacht aan besteed. Als vorm. Als inhoud. En toch kies voor die bepaalde traditie.
Ondanks of mogelijk dankzij het verhaal van Robert Jan. En de belevenissen van Anne.
Zo kan het een met het ander verweven raken:
gelijk in
Demens dement.

Verankerd aan haar rolstoel
verpakt in vaal gelooid vel
brengt zij de klok
in vergetelheid rond.

Flitsen van gisteren
teisteren
momenten vandaag
haar hersencellen als
flakkerende
kaarsjes in de wind.

Objectief beschouwend
is zij slechts
een glimp
van wie zij was;
een tand’loos wezen
met een scheefgezakt gezicht.

Op haar eigen eiland
blijft contact
beperkt
tot het vluchtige moment
waarop anderen
haar in beweging brengen.

Versluierd heden
beneveld verleden
onaantastbaar wachtend,
onvermijdelijk.

20091206-1260055215Nopslag165