De smaak van…
Zo nu en dan maak ik er een potje van, maar in de regel weet ik me aardig te conformeren. Dat ik niet garant sta voor een dijenkletser, dat zij mij vergeven, dat ik er alles aan doe om het leven zo leefbaar mogelijk te houden, een meer dan oprechte zaak. Wanneer ik op pad ga, deel uitmaak van de gemeenschap die onder de noemer van ‘de maatschappij’ de ‘struggle for life’ probeer te bewerkstelligen, een uitgemaakte zaak. Deel uitmaken van het geheel en het besef dat ik in dit geheel niet veel meer ben dan een onderdeel van dit gebeuren, een besef dat aantoont dat ik, in zekere zin, niet veel meer en niet veel minder ben dan de ander, een kader ten aanzien van mijn bewust zijn. Dat ik deze woorden formuleer een onderdeel van dat bewuste zijn gekoppeld aan mijn bewustzijn. Hetgeen dan niet veel meer is dan een constatering dat mijn psychisch zijn op een eenvoudig niveau weet te bewerkstelligen. Daarmee zou, voor vandaag, de kous afzijn ware het niet dat ik nog even in gisteren vertoef. Gisteren geeft zich enigszins hulpeloos over aan vandaag, waarbij de spruitjes iets weergeven van dat gevoel wat ik heb overgehouden aan de vijftiger/zestiger jaren. De geur van kool die wat langdurig op het gasfornuis heeft gestaan en van de kook is geraakt. Zo’n doordringende, penetrante lucht die soms dagen in het minder goed geventileerde huis bleef hangen. Waar flatgebouwen naar konden ruiken en waar dan ook nog een associatie werd opgeroepen naar ooit landen verscholen achter het IJzeren Gordijn. Het voormalige Oost-Duitsland, Rusland, de Baltische staten en waar armoe als een collectief geheel werd beschouwd. Waar desolate satellietsteden met grauwe, eentonige flatgebouwen de dienst uitmaakten en waar het regime de overhand in had. Waar spreken in de openbaarheid al gauw werd gezien als een aanslag op die overheid en waar het belangrijk was om op je woorden te passen. Waar muren oren hadden en waar het elkaar bespieden een belangrijke rol in het dagelijks leven speelde. Of speelt, daar wil ik nu even vanaf zijn.

Waar deze woorden vandaan komen” Waarschijnlijk door het bezoek aan het museum Marseille. Met die indringende beelden uit het voormalige Rusland. Of liever gezegd: met de, voor een deel onafhankelijke staten die ooit deel uitmaakten van dat grote machtsblok Rusland. Met zijn toenmalige vijf jaren plannen. Met portretten van mensen met een borst vol medailles. Mensen die ooit werkten in een tractorenfabriek en tegenwoordig, op vrijwillige basis, een museum runnen nadat deze fabriek failliet was gegaan. Met oorlogshelden met beeltenissen van Lenin. Medailles met Rode Sterren. En een trotse, ietwat weemoedige blik in de ogen. Mensen die momenteel werken in een fabriek met de uitstraling van de jaren vijftig. Maar vooral ook mensen met een lege blik. Die de anonimiteit ontvluchten door het portret dat een (Nederlandse) fotograaf van hen maakte. En dat maakt het geheel dan weer zo schrijnend: hun bestaan is niet wezenlijk veranderd. Mensen op diezelfde planeet die wij voor ons gemak Aarde noemen. Het roept het een en ander op in tegenstelling tot de beelden die William Klein heeft vastgelegd. Waar Klein kiest voor het zwart/wit zij het dit keer mensen in kleur. En juist die kleur doet het dit keer: het heeft veel weg van de smak van water. Ik heb geen idee hoe de smaak van water is en probeer me dit ook niet eens voor te stellen: ook Nederland maakt er geregeld een potje van, maar het potje wat Moedertje Rusland voor die mensen in petto heeft en heeft gehad…

Laatste 15 Reacties