Droefenis die buiten de oevers treedt.

‘DE SCHOONHEID VAN DIT AARDSE TRANENDAL, LAAT DROEFENIS BUITEN HAAR OEVERS TREDEN.’ Een zin die bol staat van de tegenstrijdigheid waarin ik me op dit moment uitstekend in kan vinden. Met name gevoelsmatig gezien. Trok me terug in bed, ogen gesloten in afwachting van de inspiratie die even ver te zoeken was. Hetgeen een discussie wist uit te lokken. Neen, geen discussie maar meer een verwijt. En eerlijk gezegd moet bekennen dat dit geenszins een twijfelachtig verwijt is. Of was. Loop nog steeds in mijn nachtkleding rond, met badjas en slaapsokken, trok wel een kam door mijn haar en daar was feitelijk alles mee gezegd. ‘Ga wat doen!’, en ik dacht laat het daar maar bij blijven. Een terechte vorm van ergernis die ook nog eens werd uitgesproken. Niet veel later trok zij de voordeur achter zich dicht. Nu, op dit moment zit ik weer achter mijn raadgever, het apparaat waar ik een deel van mijn gevoelens aan toevertrouw. Er zijn nu eenmaal van die momenten waarop ik me letterlijk even van de wereld afwend. Het bekende fenomeen van ‘algehele malaise.’ Niet zozeer een gevolg van zwaarmoedigheid, maar meer het missen van een stok achter de deur. Waardoor de deur uitgaan niet bepaald uitnodigend is. En toch ga ik zo de deur maar uit. Geef me over aan de krachtige elementen die rond het huis spoken. En het heeft er veel van dat ik Mary verderop hoor huilen. Waarbij Jimmy Hendrikx zich opdringt. Vannacht het een en ander door mijn hoofd laten spoken. Een kaart te schrijven aan mijn vriend. Naar AH gaan om wat afdrukken te gaan maken. Me nogmaals over mijn optreden morgen te gaan buigen. Wanneer de Dichterskring Alkmaar in de Centrale Bibliotheek een uur lang anderen confronteert met gedachtenspinsels. Het zijn juist die gedachtenspinsels die mij enigszins belemmeren op een dag als vandaag. Ik moet nog een haak gaan kopen: de slee dient weer aan de muur te komen hangen. Ik moet beter voor mezelf gaan zorgen, maar ook daar maak ik me in de regel veel minder druk om. Of omtrent het ouder worden. Want ouder dan mijn vader ben ik reeds geworden. En dat is iets wat ik ook in mijn kop met me meesleep. Elementen van dat eerder genoemde aardse tranendal. ‘Ruim de zolder op!’ Ook iets waarbij het uitstel dat ik me permitteer veelal tot afstel leidt. Ja, ik ben goed in nietsdoen! Neen, zolang ik mijn voornemens niet uitspreek, lijkt er niet aan de hand. En toch is er iets met mij aan de hand. Ik laat me nu eenmaal heerlijk verleiden om mijn kop wel, maar mijn hoofd niet onder de dekens te steken. Kan nu eenmaal niet altijd wedijveren met die struisvogel. Het is dan ook een wat verwarrende tijd. Mijn vriend ie morgen jarig is en de dubbelheid waaronder hij momenteel verkeert. De zorgen die hij heeft omtrent zijn moeder. Die een volgende gang naar het ziekenhuis staat te wachten. Maar ook dat leuke bericht dat ik kreeg van Bert Bunschoten. Naan aanleiding van hun voorstelling. Het Volk in Dothan. Waarbij ik er maar ‘Ode aan Het Volk van Wik’ van heb gemaakt. Dat is dan weer dat andere element. En juist met dat element kan ik goed uit de voeten. Ga me aankleden. Wassen enigszins. Tanden poetsen desnoods. Een luchtje opdoen. Die kaart kopen, afdrukken maken en die haak aanschaffen. Kom ik toch nog even buiten. Niet zozeer om mij daarmee te plezieren. Neen hooguit om wat honger op te wekken wanneer wij vanavond in Bergen gaan eten. Indonesisch. Met van die spaarkaarten van AH. Dan blijkt misschien ook dat er vandaag meer te beleven viel dan ik in eerste instantie dacht. Laat dan die droefenis maar buiten de oevers treden!


Wik 2