vlechtwerk

Ik repte mij door een stuk natuur waarbij sprake was van een zekere ongereptheid. Het struweel dat nijvere handen integreerden, opdat een enkel nest verborgen blijft. Wat spaanders die teken gaven van ooit bijlen. Of simpelweg van een hakselmachine. Of gewoon een kettingzaag. Ik heb het dan ook over enkele tientallen meters. Mannen in neongele pakken. De een leunend. De ander steunend. Een derde lurkend. Aan een sjekkie. Een man met tatoeages op zijn hoofd. In zijn nek een blauwe slang. Een bruine kop. Waardoor de afdeling meer verdwijnt. Het haar wat al verdwenen is. Gelijk het struikgewas. Maar…
Kan er nog wel sprake zijn van een zekere ongereptheid en als ik dat dan ‘vang’, is dan de smetteloosheid verdwenen” Een mate van besmette ongereptheid door de bezoedeling daarvan”! Want op zich is het niet bijzonder dat ik mij aan een tweede wandeling waagde, want naar buiten als de zon schijnt is mij liever dan binnen zitten druilen. Het werk aan de weg gaat niet alleen door, het ruimen van struiken kent een veelvoud van activiteit. En daarmee verdwijnt dat vooronderstelde stuk ongereptheid. Zal de natuur de ruimte weten te vullen” Zal grootnood door kleinood worden bedekt” En zal ik daar dan weer getuige van mogen zijn” Zal het weer zich weten te bestendigen” Schiet het weer de pan uit” Dat weer zal zich zeker nog wel voordoen en dan is het, wat mij betreft, nog vroeg genoeg! En vindt de natuur hernieuwde rust. Zal het met die ongereptheid wel los gaan lopen. En kan ik mijn oog weer laten vallen. Op andere details.
Dus genoot ik van een zekere ongereptheid waarin een groep kleuters zich verplaatste. De jongetjes vooraan, de meisjes rond de juf. Sommigen hand in hand, anderen overtuigend kwebbelend. Met stemmetjes die iets van het voorjaar doen vermoeden. Gelijk de eenden kwaken. De ganzen gakken en de meerkoeten hun scherpe kreten slaken. Kikkers het nog even af laten weten en de reiger zich zonder kluit in het verdorde riet beweegt. In dat stuk ongerepte.
En ik de indruk kreeg dat zij allen zich onbespied waanden. Allemaal gewoon genoten. Van de juf. Van het weer. Van het pad. Van het riet. Van de kant. Van het water. Van de wind desnoods. Want die blijft wat schraal. Alsof de Koning moeite heeft zijn troon te verlaten. Geen weet heeft van zijn opvolger. Die zich opmaakt. De ragfijne penseeltjes groen uit de kast haalt. Voor de kleuren uit de kast gaan komen. Kleuren.
Gewoon genieten door dit soort dingen te doen. Maar toch op een achteraf. Met geen andere bedoeling. Kijken. En ik liet na te kieken.
Ik ‘kiekte’ schielijk door. En keek, met andere ogen om mij heen. Ik liep wat om. Verliet het ongerepte en verdwaasde in de kunst. Kreeg de smaak te pakken. Alleen, wat ik leuk vind laat zich niet altijd delen. Of misschien juist wel. Liep toch door. En liet dat zwarte apparaat rusten.
Toch blijft het steeds langer licht. Iedere week zeker weer een kwartier later. Ik me laat verbazen door het vlechtwerk van licht en donker. Van tak en twijg. Geboeid door lijnen. En ik probeer te vangen. Als een ware boeienkoning.
Daarna spoorslags naar huis, terwijl er geen trein te bekennen valt. Tijd vliegt zomaar met mij weg. En dan, alsof mijn geest zich heeft weten te bevrijden, nogmaals dit bericht gelezen.
Is er sprake van verandering” Van zinsbegoocheling”
Ik keek naar iets en dacht wat zie ik nou” Ben benieuwd wat jij ziet als ik me bedenk dat jij misschien niets anders ziet…”!
Zo goochel ik met zinnen en zin ik op begoocheling!