Willem's kast
Dat huisje zit wel goed, het boompje maakt zich op voor het voorjaar en de beestjes floreren als zodanig. Althans wanneer zilvervliesjes als beestjes kunnen worden beschouwd. Die beestjes hebben de neiging zich als lemmingen te manifesteren maar laten na massaal van rotsen af te springen. Nu realiseer ik mij dat een huis een huis zich niet altijd als een rots in de branding manifesteert, maar het zou mij een groot genoegen doen wanneer juist deze beestjes tot dat besef zouden kunnen komen. Hetgeen ik direct maar weer betwijfel.
De reden van deze entree ligt besloten in het feit dat ik een uitnodiging mocht ontvangen van Willem Schotten. Willem houdt zich bezig met Kunst. Kunst met een grote K en voor de rest in al zijn bescheidenheid. Willem heeft zich toegelegd op kastjes. Kastjes waar hij, op geheel zijn eigen wijze, materialen, door een willekeurig ander afgeschreven, opnieuw tot leven brengt. Dat kan varieren van gemummificeerde padden, tot kroontjespennen die juist door hier een andere titel aan te koppelen tot ander leven worden gewekt. Het feit dat Willem vrij recent is toegelaten tot het KCB (Kunstenaars Centrum Bergen) geeft iets van zijn kwaliteiten weer. Want kwaliteit laat zich zien. En kwaliteit mag gezien worden. Eigenlijk past bij het werk van Willem een fragment uit het voorwoord uit een bundel die in 1999 het licht heeft gezien. Een bundel onder de titel ‘Wat al niet in ruil voor zo’n middag als toen’. Een voorwoord van de hand van de toenmalig directeur van KCB, Marianne van Gils.
‘Ik wil gaan spreken van gedaanten die in nieuwe werden veranderd.’ Zo beginnen de Metamorphosen van Ovidius, de geschiedenis van het leven met als grondgedachte dat alles voortdurend in beweging is, dat niets blijft en niets vergaat. De kunstenaar weet ook dat de geur van het heden ervaringen uit zijn jeugd in zich draagt, veranderd en toch herkenbaar.
Dat maakt, naar mijn idee, de werken van Willem zo boeiend. Opgeslagen in kastjes, die met hetzelfde gemak laatjes kunnen zijn, laatjes in dat imaginaire meubel waar de hersenen een wezenlijke rol in spelen. Waarbij jalouzieen geopend en gesloten kunnen worden en het werken op een tafel kan gaan plaatsvinden. Waarbij heden, toekomst en verleden als het ware door elkaar worden gehusseld en er nieuwe gedaanten ontstaan. Waarbij verandering zich niet altijd direct laat zien, noch laat herkennen. Waarbij woorden opnieuw worden uitgedaagd tot het scheppen van een andere betekenis, voor zover de creativiteit dit toestaat. Woorden in een ander jasje, die vooronderstelde verandering in een nieuw wezen, een ander object desnoods. Creativiteit in samenspraak met oog voor detail. En daar dan weer het gevolg van. Je moet leren kijken om het te zien. Zien met een oog gericht op het niet zichtbare; een kwaliteit gekoppeld aan de kunst. Waardoor kunst weer het leren van kijken behelst. En de cirkel zich oneindig weet te herhalen. Gelijk het leven zo geregeld een soort van eigen leven lijkt te leiden. Veelal gepaard dient te gaan van een lijden. Want zonder lijden zou er geen kunst zijn. Tenminste, dat is een voorstelling omtrent ideeen van toen. Een dichter, ergens drie hoog achter op een niet afgetimmerd zolderkamertje zonder enige vorm van verwarming. Misschien een straalkacheltje via een illegaal aftakking. Een halfvolle fles jenever dan wel Absint, voor zover de tijd dit toelaat. En liefdesverdriet dat als een Tsunami over zijn wangen biggelt…
Tijden die mogelijk over niet al te lange tijd zich weten te herhalen. De kunst in de verdomhoek en de schrale boterham die het ergste doet vermoeden. Een geestelijke leegte die de kale schraalheid van een willekeurig bestaan etaleert. Een doek waar een enkele veeg een herinnering laat opdoemen aan ooit een ander verleden. En waar, vele jaren later, een conservator woorden aan zal gaan wijden. Hetgeen ik mij dan weer ternauwernood voor kan stellen. Maar wie ben ik” Dat zal immer de vraag blijven en mijn antwoord… laat zich node missen!

Laatste 15 Reacties