terugblik

En zo jagen de dagen voort als onweer en regen, actie en rust. De klap. Het licht. Het weer licht. En het is al dag! Weer een klap. Verder weg. Nog verder weg. Weg klap! Weer licht.
En ik houd nog steeds de gordijnen dicht. Geen angst noch vrees. Slechts de zin ontgaat me. Van het opstaan bijvoorbeeld. De ochtend vind ik toch al niet meer zo bekoorlijk.
Ik blijf me realiseren dat ik een beetje in mijn zijn blijf hangen. Zoveel bijzondere prikkels komen niet direct naar voren. Er zijn wel prikkels, maar dit prikkelt me in een andere mate dan ik eigenlijk gewend ben. Een soort van rusteloze afwachting. Berusting is ook niet het goede woord. En lusteloos al helemaal niet. Iets wat daar weer tussenin hangt. Keuzes die ik maak. Om reden van het maken van de keuze. Naar buiten gaan. Een boodschap doen. Een reden om mijn zinnen te verzetten. Nog maar weer een boodschap doe. Waardoor de afleiding er zorg voor draagt dat ik mijn zinnen verzet. Zoals ik hoop dat ik morgen en volgende week mijn zinnen nog verder te gaan verzetten. De zin niet teloor te laten gaan. Niet alleen de zin erin te krijgen maar meer nog om de zin erin te houden. Mij te blijven verwonderen. Het liefst als een kind. Dat kind wat ik ooit geweest ben. Dat kind wat ergens in mij schuilt. Ergens…
Met grote verwondering. Zoeken naar de mogelijkheden. Mijn mogelijkheden. Maar nu niet zo zeer in een kader. Geen therapie maar vulling. Geen vulling zonder reden. Met reden! Van nog weer wat meer zaken onder controle te willen krijgen. Misschien te kunnen houden. Welzeker te kunnen houden.  
Een jaar later is er, wat dat betreft, gerust wel het een en ander verandert. Ook nu sta ik daar nog ergens tussen in. De dagen laten zich plukken en gaan een eigen gang. De inspiratie laat het geregeld afweten. Momenten die uniek zijn doen zich nog steeds voor, maar laten zich zich niet afdwingen. En sta ik even stil. Ergens, tussenin. Blijf ik over dingen nadenken. Dingen die zich hebben voorgedaan en dingen die zich niet meer laten veranderen.
Ook nu grijp ik toch weer terug op oude letters. De zinnen die ooit in mij verscholen lagen en op een dag het daglicht zagen. Woorden die door anderen weer tot leven zijn gewekt.  Omtrent dingen die ik kan veranderen. De richting. In mijn zijn. Van mijn zijn op dit moment. En dat haalt dan weer een groot deel van de vreze weg. Maar een randje blijft hangen. En dat is dan weer het moment waarop ik terugkeer. In de realiteit.  Dan dient de afleiding een rol te gaan spelen. Dat dient de werkelijkheid. En in die werkelijkheid kan ik zijn. Dan ben ik! Juist dan ben ik! Juist dan passen de stukjes weer wat meer in elkaar.
Gelijk een puzzel zich laat voorspellen. Terwijl het nog niet veel meer is dan de rand die wordt gelegd. De begrenzing. De wetenschap dat ik de ruimte hiervoor krijg. De ruimte weet te vullen.