DAG (van de) Verpleging, moeder!
Oorspronkelijk. Uniek. Met in mijn achterhoofd de wetenschap dat alles betrekkelijk is. En in die betrekkelijkheid bevind ik mij. Juist in die betrekkelijkheid huist de (ir-)relevantie. Want waar eindigt de relevantie en doemen er andere grootheden op” Geen idee! Nauwelijks enig inzicht in. Laat staan dat ik mij daar een mening over vorm. Een menig over wens te vormen. Want ook dan zal die vraag naar voren komen: wat wil ik daarmee zeggen” Wat wil ik daarmee naar voren brengen” Wat zou ik daardoor kunnen beweren” Wat daarmee te bewijzen” Als ik dan stel dat ik dit niet weet, is het de vraag wat ik met dit epistel dan bedoel. Neem nu een mens. Een mens met twee benen, twee armen een hoofd, romp en rug. Op een willekeurig moment verandert dit wezen in een beest met twee ruggen, om niet veel later weer onderweg te zijn. Hecht en onthecht, klampt vast en laat los. Of probeert om los te laten, hetgeen dan weer een onmogelijke opgave blijkt te zijn. De vaste rituelen die deel uitmaken van zijn dagelijkse patroon. Zijn behoeft aan veiligheid, waardering en het vermogen om zelfrespect op te gaan brengen. Zijn zelfbeschikking dat hem regelmatig dwingt om bij zichzelf te rade te gaan. En de momenten waarop afkeer een belangrijke rol kan gaan spelen. Of speelt, in verschillende situaties op verschillende momenten op dat van elkaar verschillende levenspad. De veronderstelde wijsheid, die op zich laat wachten. De leeftijd ie toeneemt, de wijsheid die het af laat weten. De berusting die daarvoor in de plaats komt. En het ondraaglijk lijden dat zich schuil gaat houden. Waardoor de lichtheid van het bestaan in het rioolputje verdwijnt. De cirkel die zich sluit en de oorspronkelijkheid en de uniciteit in de eeuwigheid weet op te slokken…
Even een pas op de plaats. Een stilstand in zekere zin. Stilstaan bij juist de dag van vandaag. De Dag van de Verpleging die wordt overschaduwd door Moederdag. De armoede die zich meester lijkt te maken van de zorg. Het credo steeds meer met minder, dat hand over hand toeneemt. De nummers die de plaats van de mens gaan innemen. En wat hand over hand toeneemt zijn wel de woorden, maar steeds minder die handen. Minder handen aan het bed laten nu eenmaal de mens in dat bed verkommeren. Daar kunnen geen bloemenhuldes tegenop. Misschien voor een dag, maar een week laat staan een maand wordt op deze manier een oneindigheid. De hoorn des overvloeds die opdroogt. De schraalheid waarmee schalen worden opgediend: een enkel blaadje sla, een verdwaald augurkje, een uitgedroogd zilveruitje. En iets dat neigt naar vis, mogelijk een restantje van wat draadjesvlees, een sausje dat verkleurd. Een onbestemde kleur waar dit geheel in is gedrapeerd. Waar geen franje meer te ontdekken valt; hooguit dat het bestek nog iets van een voormalig leven naar voren brengt. In de vorm van een herinnering…
Laatste 15 Reacties