intro spek tief

20090717-1247786481NP1010325

Stel: ik kan helder denken.
Stel verder: ik kan helder formuleren.
Stel nog verder: ik kan denken, formuleren en doen in “”n.
Stel veel verder nog: ik kan alles mixen en in enen zijn.
Stel nog verder: ik kan dit gebeuren bestendigen.
Stel verder: ik kan dit delen.
Stel: ik ben bijna volmaakt.

Wat zou er nog veel aan mij blijven schorten. De twijfel bijvoorbeeld, die aan mijn keuze knaagt.
De weifel die zich opmaakt om in een voorspan te komen hangen.
Gelijk een tweetal paarden zich inspant om de kar te gaan trekken.
Een kar vol met beelden: verleden, heden en toekomst in sluiers gedrapeerd.
Het een wat wazig, het ander helder gelijk een ster aan het almachtige firmament.
Geen plaats voor de ongekende elementen die de mens weet te koesteren:
gesluierd, dan weer versluierd, gekunsteld en oprecht. Authentiek ge”miteerd, onverwacht te kakken gezet,
letterlijk geciteerd of stomweg gejat en weggezet. De ongenaakbaarheid van het oprechte gevoel dat zich
machteloos in een hoek laat slingeren: de eenvoud van het ware. De waarheid die zich schuilhoudt,
zoals de afgunst niet veel beter weet dan simpelweg te kijken. En woorden die in kelen blijven steken:
ogen die zich laten drogen na vele tranen te hebben weggevloeid. Wat zou dat…
Wat zou dat! Om gevoelens kenbaar te maken, de ontroering die zich meester maakt van het moment,
de lippen die gaan trillen en de zakdoek die zich uit laat wringen, verloopt er niet veel meer dan tijd.
De tijd die zich niet laat vangen, tijd die stomweg verder glijdt en de mens in een stille verwondering
achter laat. Mij achter laat.

Ik de anderen achter mij laat. En daar weer vragen bij weet te zetten. Mij van daden onthoud.
Geen weigering maar een oprecht niet weten. Praten wat ik minder goed hanteer dan dat mijn
denken er regelmatig met mijn gedachten vandoor gaat. En mij met open mond achter laat.
Waar geen anderen meer bij zijn. Geen anderen meer bij kunnen. Zodat ik hen verlaat.

Dan nog is daar de woede. Woede om een vorm van falen. Woede om de woede van mijn falen.
Wat te denken van mijn woede”
Besmuikt wend ik mijn hoofd nu af. Zodat de gevolgen aan mij voorbij gaan.
De illusie die ik weet te koesteren. De hoop die ik laat varen. De speelbal op de golven.
Een speelbal van de elementen. Uit spelevaren gaan…

Zoiets kan zeer verwarrend zijn. Als dit JU overkomt voorspel ik dat dit zeer verwarrend is.
En dat stilstand een optie is. Stilaan de stilstand een realiteit gaat worden.
En dat door niet veel meer te doen dan dit, de zoutpilaar zich laat voorspellen.

Want ik denk zwart. Ik denk wit. En dat zwartwitte denken laat de kleur vervagen.
Als een ondoordacht portret. Of een doordacht gebouw. Een poort.
Met daarachter misschien een binnenplaats. Een plaats vol verzet” Een plaats zonder zon” De duisternis”
Ik schreef woede. In mijn verzet. De kleur is grijs maar aan dit grijs zijn vragen te hangen:
hoe grijs is grijs om grijs te zijn” Mijn grijs of JUW grijs” Of gewoon dat grijs: een teil!

WIT/ZWART

De woede
die mij drijft
papier dat kalm
blijft
onder mijn ver
woede pogingen
de elementen
die de wereld
in mijn kop
op z’n kop
zetten
het plaatsen
van de letters;

in witte
ongenaakbaarheid
woedt mijn woede

zwart.

Wik in een wereld van uitersten.

Ook die wereld is wiks wereld, gelijk wiks wegen zijn.

20090717-1247786587NP1010363