Jules

Toch is het veelal de dramatiek die schuilgaat achter heel simpele woorden. Neem nu bijvoorbeeld het onderstaande gedicht van wijlen Jules de Corte. Het komt uit het boekje ‘Psychiatrie reusachtig’ en schetst een beeld, wat voor een belangrijk deel nog steeds dagelijkse kost is. Het wordt als inleiding gebruikt bij werkstukken die onder de titel ‘Maatschappelijke Gezondheid Zorg’ deel uitmaakten van het totaal van de opleiding tot B- (psychiatrisch) verpleegkundige. Ook dit gedicht geeft, mijns inziens, nog steeds goed weer hoe naar de ‘gek’ wordt gekeken. Toen, ergens in de jaren tachtig van de vorige eeuw en mogelijk nog steeds van toepassing in 2012. Wie zal het zeggen”!
Als de wieken van de molen, je wel zo hebben geraakt
dat je weerstand is gebroken en je geestkracht is gekraakt,
als je nauwelijks nog besef hebt wat je doet en wie je bent,
komt opeens de ziekenwagen en meteen ben je patiënt.
Je probeert je te verzetten, vechtend als ik weet niet wat,
maar de broeder kent de knepen en hij spuit je even plat.
Het is niet om je te plagen, maar je bent wat uit het spoor
en ze hebben met z’n allen echt het beste met je voor.
In het ziekenhuis gekomen, maakt het niet zoveel meer uit.
Je bent voer voor psychiater en voor psychotherapeut.
Wie zal zeggen wie er gek is, al die anderen of jij,
want we leven onmiskenbaar in een dolle maatschappij.
Alle keren slik je keurig de verstrekte medicijn
en je houdt je naar behoren aan de regels die er zijn.
Tot de dokter komt vertellen: “de rapporten geven aan
dat de toestand weer stabiel is, de patiënt kan dus weer gaan.”
Hebben monden recht op voedsel, hebben ogen recht op licht,
hebben longen recht op adem, wat is recht en wat is plicht”
En de vraag blijft mij benauwen, is het waar of ben ik mis,
kun je mensen echt genezen, als het niet uit liefde is”

Kijk, zo’n tekst liegt er niet om. Zo’n tekst doet wat met mijn ruggenmerg. Het laat mij huiveren. Nog net niet janken. Het staat er zo droog. Zo feitelijk. Het is juist Jules de Corte uit wiens brein deze woorden zijn ontsproten. ‘Hebben ogen recht op licht”‘ Uit zijn mond, terwijl het licht op de bril valt waarachter ogen slechts duisternis kennen. Althans, als zijn ogen ooit licht hebben gekend. Hij zich misschien vanaf zijn kind zijn op zijn fantasie heeft moeten beroepen. Wit noch zwart, geel rood noch blauw ooit heeft mogen aanschouwen. Juist dan komt die tekst dubbel zo hard aan. Juist dat is de reden waarom ik als volgt afsluit:
THEORIE = ALS MEN ALLES WEET EN NIETS KLOPT.
PRAKTIJK = ALS ALLES FUNCTIONEERT EN NIEMAND WEET WAAROM.
In dit/deze: bedrijf/onderneming/afdeling/team/fabriek/leerschool/maatschappij/politieke partij/ familie/geest zijn theorie en praktijk verenigd:
NIETS KLOPT EN NIEMAND WEET WAAROM.



Carnaval loopt op een eind. Morgen ergens een kruisje halen. Jawel, aswoensdag!
Laatste 15 Reacties