Afrastering op de vrijdag (de dertiende)

AFRASTERING.

Als apen in een kooi

rommelen ze wat, gedachteloos

op het vroege, jonge voorjaarsgras.

Een maakt zich los, trekt wat aan

z’n kuierlatten en grommelt in de

richting van de groene afrastering.

Hij brabbelt wat in onverstaanbare

oerklanken komt het onherkenbaar

misvormde broeder” over zijn lippen.

Van enig onderzoek van zijn omgeving

kan geen sprake zijn; het hek de grens

van zijn toelaatbare toestand.

Reeds slingert de klimop zich rond

een afrasteringspaal, maar deze mogelijke

ontsnapping ontgaat de man.

Met een waggelgang trekt hij zich terug

in zijn leger; op een stoel gezeten wordt

een plaid behoedzaam over zijn knieen gedrapeerd.

Het rijke voorjaarszonnetje koestert de witte

inrichingskleur, die zijn beide wangen

met een zachte hand doen blozen.

Wij vervolgen onze weg, waar dra

het hek ophoudt te bestaan.


IMG_5728