dwalen

20090824-1251143608N1206D_B604

Het heeft iets intrigerends.
De bomenrij, de wind die wat door takken stoeit, een blad dat dwarrelt en het pad, keurig aangeharkt,
wat slingerend een weg zoekt tussen het goed onderhouden stuikgewas.
Hoewel, laat struikgewas zich wel goed onderhouden”
Maar dat is meer voor een iets terzijde. Voor een terzijde dat er weinig toe doet. Zoveel temeer doen daar
de stenen toe. Keurig recht de een, een kleine scheefstand van de ander, verweerd een derde terwijl
de vierde zich kenmerkt door de helderheid waarmee de tekst in steen is uitgebeiteld.
Voor hem. Voor haar. Voor hen.
Iets wat zeker dierbaar is. Maar nu een was. Een teken van herkenning.
De rust die hier zo dierbaar wordt verkondigd.

In het verlengde van de tekst die ooit de krant heeft gehaald. ‘Rust nu maar uit, je hebt…’
Of simpelweg een R.I.P. Een plek die stijf staat van herinneringen. Uitgesproken.
Niet uitgesproken gedachten. En mogelijke vervloekingen die zich hebben voorgedaan.
Maar ook veel vragen omtrent een ‘waarom”!’ Een waarom waar geen antwoord op te geven valt.
Een waarom welke geen andere functie heeft dan een zichzelf steeds herhalende vraag.
En de berusting die van een heleboel stenen afstraalt.

Een kindergraf gezien de vele speelgoedjes die zich daarop voordoen.
Een vrachtauto. Een teddybeer. Een vlinder.

20090824-1251143713N1206D_B605

En ik loop daar wat. Verdwaald in alle rust. En eenvoud. Want de plek waar ik vertoef heeft niet de functie
meer van een levende dodenakker. Deze akker is letterlijk dood. De dood is hier ten dele zichtbaar.

Een schelpenpad. Een naam. Een lang vergeten naam. Een datum. Een andere datum. En niet meer dan dat.
Een plek ter herinnering waar niemand meer op af zal komen.
Een dode dodenakker met de status van een monument.

Waar juist de verwering mag toeslaan.
Waar stenen zijn gebroken en letters zijn verdwenen.
Waar de tijd het metaal heeft aangetast en roest de ketting heeft gebroken.

Zo’n plek die dwingt om stil te staan bij eigen sterfelijkheid.
De vraag waar ieder mens op een gegeven moment mee kan gaan worstelen:
was het mij allemaal waard de tijd die mij geboden is. Om daar dan een antwoord op te geven.
Een zuiver antwoord in de aanschijn van de dag waarop besef aan leven dit antwoord even kan gaan geven.
Om een volgend moment weer achter de horizon van schone schijn te gaan verdwijnen.
Althans, zo gaan gedachten met mij aan de loop.
Wat een geluk dat ik een deel daarvan heb weten te onthouden opdat ik die nu aan dit medium toevertrouw.

Aan JU toevertrouw. Alsof ik niet veel meer te doen heb dan dit te doen.
En voor een belangrijk deel is dit ook zo.
Het aantal meters wat ik nu weet af te leggen blijft nog steeds de moeite waard.
Voor wat betreft de pijn heb ik ook weinig te klagen.
Zitten en wat staan, zo af en toe wat op het bed gaan hangen, lopen zonder de vier wielen en
het lezen wat de wereld buiten mij aan nieuws van binnen heeft gebracht…”!

Mijn wereld zal zich straks weer gaan verruimen.
Tot dat moment kan ik niet veel meer doen dan wat in archieven rond gaan dolen.

JU lastig vallen met die momenten van toen.
Wat groot is gaan verkleinen en wat klein is uitvergroten.
Wat schrijven om het schrijven, wat denken om te doen.

Zoals in onderstaande tekst:

Voorschrift.

Het voorschrift luidt
dat iedere steen
van een
opschrift
is voorzien.

Naschrift:

indien
in dit
opzicht het
opschrift
wordt nagelaten
kan gezien het
voorschrift
de steen
in gebreke
worden gesteld.
De beheerder.

Ook opgenomen in de bundel: ‘Ik ben voor niemand iemand meer’
Sprak ik met een zekere weemoed.
Zoals ik iets las van L”vi Weemoedt: Kaartje uit Rhodos
‘Veel eten, drinken, zon en seks!
De hartelijke groeten van je ex!’

Of van Jan Arends:

Er is
nog nooit
een mens geweest
die een korrel aarde
heeft bezeten.

20090824-1251143876N1206D_B611

Ik vind dit voor vandaag wel mooi genoeg!
Doeg!